June 12, 2009

Maandag

“Zet ze gelijk, zet ze gelijk!” raadde hij zijn vriend aan met zijn handen in mijn haar en zijn mond over de mijne. Hij zuchtte en liep naar de draaitafels in de hoek van de kamer en begon te friemelen aan de tweede plaat. Ik leunde achterover op de bank en schopte mijn schoenen uit. Zijn hoofd kwam in m’n gezichtsveld -opsekop- met die geweldige grijns, zijn lichtblauwe ogen keken me ondeugend aan en hij zoende me.
Hier zou ik nooit genoeg van krijgen. Ik zou elke dag willen fotograferen, elk moment zodat we voor eeuwig zouden bestaan. Op dit soort momenten werd ik een hopeloos gelukkige romanticus.

Als ik de geheugenruimte had zou ik al jouw glimlachen fotograferen. Je geweldige glimlach die mijn knieën doet verdwijnen. Die glimlach die niet verloren mag gaan in mijn subjectieve vage geheugen.
Ik ben miserabel zonder jou, zo verschrikkelijk zwart om het licht van jouw ogen nog feller te laten stralen. Ik ben zonder jou zodat je me kan missen en ik bevestigd kan worden. Ik doe jouw shirt uit maar laat het mijne aan zodat ik je hunkerende lippen handen ogen op me kan voelen branden.
En jij gaat weg zodat ik leeg kan zijn en de pijn van je afwezigheid kan voelen. Jij bent de klootzak de lul de vervelende helft zodat ik me kan realiseren hoe irrationeel en onoverkomelijk dit alles is.

Wanneer gaan we botsen jongen, want ik wacht op jouw vonken.

No comments: